Hier ben je veilig

Zaterdag, Witagron – Pikin Saron 

Er zijn nogal wat mensen die me gewaarschuwd hebben voor de mannen die ik onderweg zou kunnen tegenkomen. Tot nu toe was ik vrijwel de enige op de weg van Apoera naar Zanderij, maar vandaag kwamen alle categorieën twijfelachtige figuren voorbij: de houtkappers, de jagers, de vrachtwagenchauffeurs en de Braziliaanse goudzoekers.

***
De eerste die ik spreek is Ernesto, een inheemse man uit Alfonsdorp. Vandaag heeft hij vrij, maar normaal gesproken werkt hij in de houtkap. Even verderop is de houtconcessie. Samen met een maat haalt hij de bomen neer, vooral purperhart en groenhart. ‘Het is niet zonder risico’, vertelt Ernesto, ‘je moet vooral oppassen dat je niet met je voet op een liaan staat. Als de boom dan neergaat, word je zo de lucht in geslingerd.’ Het is een risico dat hij bereid is te nemen. Hij verdient er aardig me.

Ik vraag hem hoe ver het nog is naar de Kabokreek.
Hij denkt even na en zegt: ‘Zo’n twee uurtjes fietsen?’
Maar weinig mensen rekenen hier in kilometers. Dus ik vraag: ‘Heb je zelf een fiets?’
Hij schudt zijn hoofd. Ik denk dat ik beter bij iemand anders informeer.

***

Terwijl ik mijn eerste pauze houdt – ik eet tijdig een paar broodjes pindakaas en koekjes om de hongerklap voor te zijn – stopt een truck met achterop acht dikke boomstammen. De man die uitstapt, draagt een spijkerbroek en instappers. Op zijn schouder staat de tatoeage van een wat vreemd gevormde leeuw.

‘Ik zag die fiets staan en ik dacht: dat kán geen Surinamer zijn’, zegt hij. Hij weet niet waar hij het moet zoeken van verbazing: ‘Je komt helemaal van Apoera! Doe je dit echt alleen? Boy! Geen Surinamer gaat het je nadoen! In de stad gaan ze je niet geloven dat je dit hebt gedaan. Echt niet!’

De man rijdt zelf al meer dan 20 jaar op en neer over deze weg met tropisch hardhout. Hij heeft de weg zien veranderen: ‘Eerst was dit een smalle weg, weet je, altijd als je hier reed zag je wild: herten, tijgers, zwijnen… maar nu hebben ze die weg verbreed en nu zie je niets meer.’
Ik ben wat verbaasd om zijn verontwaardiging. Het lijkt mij dat het waarschijnlijk toch vooral de boskap is waardoor de beesten een andere plek opgezocht hebben.

Na een minuut of tien nemen we afscheid. Voordat hij weer instapt, vraag ik nog even hoe ver hij denkt dat het is naar de Kabokreek. ‘Negen kilometer’, weet hij.

***
Bij de Kabokreek heeft het aannemersbedrijf dat de bruggen in de weg vernieuwt een kamp opgeslagen. Ik vraag de beheerder of ik even mag uitrusten in de schaduw van hun afdak. Dat mag.

Mijn enige gezelschap is de bewaker van het kamp. Een serene, gespierde Javaan die met ontbloot bovenlijf de krant zit te lezen aan een van de tuintafels. Het is een man van weinig woorden.

‘Moet u eten?’ vraagt hij. Ik heb wel trek, maar uit beleefdheid sla ik het aanbod af. Bovendien heb ik nog enkele gekookte eieren in mijn tas.

Als ik een even later ga liggen op het bankje, vraagt hij: ‘Moet u een kussen?’

‘Nou graag’, zeg ik. De man verdwijnt achter een deur en verschijnt dan met een kussen met fleurig bloemetjespatroon. Binnen enkele minuten val ik in slaap.

‘Moet u koffie?’, vraagt de Javaan als ik een half uur later weer rechtop ga zitten.

‘Jahoor, doe maar’, zeg ik. ‘Met melk en suiker graag.’ Op reis moet je soms je gewoontes veranderen.

De Javaan slaat zijn krant weer op.

‘Moet u een koekje?, vraag ik.

Zwijgend eten we een paar koekjes. Een tropische bui roffelt zachtjes op het metalen afdak.

‘Weet u hoe ver het is naar Pikin Saron?’, vraag ik. Pikin Saron is het eerst volgende dorp.

De Javaan is even stil. Dan zegt hij: ‘Dat is nog een heel eindje.’

***
De tweede regenbui begint af te nemen en ik zit van top tot teen onder de rode modder. Mijn regenjas trek ik al niet meer aan, want het is toch warm genoeg. Een auto met vier jonge mannen erin stopt.

Het zijn twee Surinaamse Rotterdammers die hier op vakantie zijn en hun Surinaamse vrienden. Ze vinden het geweldig hier. ‘In Nederland word je geleefd, hier kan je leven!’

Een ander zegt, klaarblijkelijk uit het niets: ‘Happy Valentine!’ en schudt me vanuit de auto de hand. Ook de anderen geven me een handje. ‘Happy Valentine!’

Dan rijden ze weer verder.

***
Weer stopt er een vrachtwagenchauffeur. Hij heeft een uitgezakt figuur, maar ziet er desondanks sterk uit. Hij begint het bekende verhaal: ‘Ben je alleen? Helemaal alleen? Ben je niet moe?’ Dan vervolgt hij: ‘als je moe bent, moet je rusten. Hier kan je baden, zie je?’, en hij wijst naar de kreek.

Het is geen aangename man. Misschien bedoelt hij het niet verkeerd, maar ik vind het niet prettig, alleen met hem in het woud.

‘Ik ga maar verder’, zeg ik, terwijl ik opstap, ‘want het is nog een heel eindje!’

***
Aan de kant van de weg staat een auto met pech: de vooras is doorgebroken. De eigenaar van de auto is Lesley, een man met een flinke pens en opvallend blauwe ogen. Hij was met twee van zijn medewerkers op weg naar de goudmijn die hij net heeft opgezet bij de Saramaccarivier. Zijn companen spreken geen Nederlands. Het zijn Brazilianen.

Kan ik die ook weer van mijn lijstje afstrepen. Braziliaanse goudzoekers – check!

Gelukkig voor Lesley zijn we niet ver meer van de bewoonde wereld en heeft hij ontvangst op zijn mobiele telefoon. De sleepwagen is al onderweg vanuit Paramaribo.

‘De tijden zijn veranderd’, zucht Lesley, ‘vroeger zou iedereen meteen stoppen om te helpen, maar nu, nee hoor! Zag je net die pick-up met die kano op het dak? Dat was een vriend van mij. Hij zwaaide en en riep “Hee hoe gaat het!”, maar hij rijdt gewoon door! Terwijl ik hier sta met pech.’

Ik bied hem een koekje aan. Hij is ontroerd.

De Brazilianen luisteren ondertussen aandachtig en gebruiken Lesley als tolk om een paar vragen te stellen. Dan willen ze met me op de foto.

Ik moet weer verder, want als ik een beetje doorrij, kan ik Pikin Saron waarschijnlijk nog wel bereiken. Hoe ver het is? ‘Een uurtje fietsen, schat ik?’

Ik vraag maar niet of Lesley zelf een fiets heeft.

***
En stopt weer een vrachtwagen. Deze bestuurder heet Steve. Hij vindt het geweldig, dat gefiets. Hij rommelt wat in de koelbox naast hem, vist er een een flesje Fernandes uit en geeft het aan mij. Ananassmaak.

Suiker. Fijn.

***
Na 110 kilometer kom ik aan in Pikin Saron. Eindelijk bewoonde wereld! Telefoonbereik! Een supermarkt! Misschien wel een eethuis!

Ik ben moe, bezweet en verregend en zie rood van de modder. Maar ik ben enorm tevreden over de tocht.

Goudzoeker Lesley heeft me aangeraden om in het dorp te vragen naar de basha, die woont naast de bar tegenover de supermarkt. De basha is rechterhand van de kapitein, het dorpshoofd. In kleine, inheemse dorpen schijnt men het op prijs te stellen als je even je aanwezigheid aankondigt bij de autoriteiten. Zij kunnen je dan ook meteen meedenken over een slaapplaats. Na de enthousiaste reacties van alle voorbijgangers van vandaag stel ik me ook een enthousiast onthaal in Pikin Saron voor.

Na wat navraag vind ik de basha inderdaad voor zijn huis naast de bar. Hij zit op een bankje met in de ene hand een plastic bekertje en in de andere hand een literfles bier. Hij stinkt naar alcohol.

‘Bent u de basha?’, vraag ik.

‘Ik ben de hoofdbasha van het dorp’, zegt de man gewichtig. Ik wist niet dat er zoiets bestond als een hoofdbasha. ‘Komt u zitten.’

De basha informeert naar de reden van mijn komst en waar ik vandaan kom. ‘Helemaal alleen?’

‘Een slaapplaats vinden is geen probleem’, vervolgt hij en met een armzwaai wijst hij naar het houten bed dat binnen in een groezelige kamer staat. Op het bed ligt geen matras, maar wel een stapel vieze kleren. ‘We kunnen een matras regelen voor u. Dan kunt u later vertellen over de gastvrijheid van de basha van Pikin Saron. Mijn vrouw komt zo thuis, ziet u’, voegt hij er aan toe. ‘Ze is Hindoestaanse en is naar de stad.’

Dan begint de basha een verhaal over hoe hij eens een relatie had met een bakra – een blanke vrouw. Soms raakt hij mijn schouder even aan. Aan zijn verhaal kan ik geen touw vastknopen en ik probeer zo ver mogelijk van hem af te schuiven zonder van het bankje te vallen
.
Hij zwijgt even. Dan kijkt hij mij aan en vraagt: ‘Waar komt u vandaan?’, ‘Helemaal alleen?’
De basha is verre van nuchter.

Ik ga hier niet slapen – dat heb ik al bedacht. Maar kan je zomaar weglopen bij de basha? Bij de hoofdbasha? En gaat het dan nog lukken om een andere slaapplaats te vinden in het dorp? Van vermoeidheid kan ik nauwelijks nog verderfietsen en bovendien wordt het al bijna donker.

‘Meneer, ik zoek eigenlijk een plek waar ik kan slapen en waar ik kan baden. Ik ben heel moe, ziet u. En zolang uw vrouw er niet is, voel ik me niet op mijn gemak hier.’ Soms werkt eerlijkheid het best.

‘Maar u bent toch niet bang! Hier heeft u niets te vrezen’, zegt de basha en hij raakt weer mijn schouder aan. Ik moet denken aan de theatershow van Wim Helsen ‘Bij Mij Zijt Ge Veilig’ – niks voelt zo onheilspellend als een onbekende die dat tegen je zegt.
‘U wilt baden? Daar kunt u baden – komt u maar mee.’ En hij laat me een klein golfplaten gebouwtje op zijn erf zien.

Ik had natuurlijk al lang weg kunnen lopen, maar ik ben de voorzichtige kant. Ik bedenk dat ik net zo goed de modder van me af kan spoelen, terwijl ik nadenk over hoe ik het best aan de basha kan ontsnappen. Dus ik zet mijn fiets achter het huis, zoek een paar schone kleren en stap in het badhok.

Mijn hoofd boven de deur van het badhok uit. Handig, want zo kan ik zowel mijn fiets als de basha goed in de gaten houden. Zo zie ik dat de basha een rondje rond het badhok loopt en hoor hoe hij niet ver bij me vandaan gaat staan zeiken. ‘Zeiken’ – het is een woord wat ik niet zo vaak gebruik, maar op dit moment voelt het als de enige gepaste term.
Als hij even later weer in mijn blikveld verschijnt – ik heb net de zeep van me afgespoeld – zie ik hoe hij richting het huis loopt, maar zich plotseling bedenkt. Hij keert zich om en mompelt: ‘die deur zit niet goed dicht.’ En, bij wijze van demonstratie, rukt hij de deur waar achter ik sta, open. Ik zie het aankomen en trek hem net op tijd weer dicht.

Al mijn verontwaardiging balt zich samen in een woord: ‘Meneer!’ – Klootzak was misschien een beter woord geweest.

De basha druipt af.

Het is wel fijn schoon te zijn en eigenlijk is het ook prettig dat ik nu niet meer een ingewikkeld excuus hoef te verzinnen om te vertrekken.
Ik pak mijn fiets en zeg kordaat, vanaf een afstandje: ‘Bedankt voor uw gastvrijheid. Nu ga ik weer. Fijne avond nog!’
Ik weet dat ik niet meer beleefd hoef te zijn, maar met dronken mensen maak ik liever geen ruzie.

De basha knikt me nors toe vanaf zijn bank en schenkt zich zwijgend nog een bekertje bier in.

2 reacties op “Hier ben je veilig

  1. Wat een stoer wijf ben je toch ook he, in je eentje de jungle doorfietsen! Heerlijk om je verhalen weer te lezen 🙂 Wanneer ben je weer in NL? Snel weer een keer afspreken. Veel plezier nog daar!!

Reacties zijn gesloten.