De zon schijnt weer. Nou ja, af en toe dan. Genoeg om op te warmen en mijn was te drogen. Ik heb ook een dekentje aangeschaft tegen de kou. Een echte shuka, een Maasaidekentje: rood met blauw-wit-zwarte ruiten. Het staat een beetje apart, maar het dekentje is heerlijk warm als het ’s avonds afkoelt. Ook leent het zich bovendien prima als picknickkleedje.
En van een Maasai krijg ik af en toe een complimentje, ´Mooie shuka, hoor!´



En dan zit het plotseling allemaal tegen. Het is koud, het regent en ik ben moe. Nog geen twintig kilometer buiten Nairobi ga ik een hotel binnen om thee te drinken en op te warmen. Maar ook in het hotel is het koud en het duurt wel twee uur en zes kopen thee voordat ik weer een beetje ben opgewarmd. De serveerster biedt aan mijn kleren te strijken, zodat ik tenminste met een droog pak verder kan.
… drinkt halverwege de ochtend thee met melk en suiker met de truckers in Wamash Hotel….
Op het campingterrein bij Lake Naivasha heb ik als enige gast mijn tent op gezet. Het is er stil, al hoor je in de verte wel de snelweg. Maar dat snelweggeluid neem ik graag voor lief, want als ik aankom, staat de kampeerweide vol met impala’s en zebra’s. En even nadat ik mijn tent heb opgezet komt er ook een verlegen giraffe door de bosjes wandelen.
Het is verrekte duur om hier een Nationaal Park in te mogen als buitenlander. Tachtig dollar per dag en dan moet je nog vervoer zien te regelen, want fietsen in een park waar neushoorns, buffels en leeuwen rondwandelen is simpelweg niet zo’n goed idee.
Het hotel heet Mashallah.
Ik had wel gehoord dat er aan de weg werd gewerkt tussen Chemelil en Londiane, maar dat het zo erg was, had ik niet verwacht. Het asfalt is weggevaagd en de steile weg bestaat uit stenen en kuilen. Ik ga met zes kilometer per uur omhoog en ik vraag me af hoe lang ik dit nog uithoud. Als het zo doorgaat, doe ik er zeker twee dagen over om boven te komen. De omgeving is prachtig, maar daar heb ik op het moment niet meer zoveel oog voor.
Wilfred vertelde me eerder dat veel atleten aan de drank raken als ze een punt hebben gezet achter hun sportcarrière. Jarenlang hebben ze super gedisciplineerd geleefd. Het programma van elke dag lag vast. En nu hebben ze plots niets meer te doen. Ze hebben te veel geld en te veel tijd en slijten hun dagen voortaan in de kroeg.
“Ik ben zelf ook een sportman – atletiek”, zegt de man terwijl hij mijn fiets inspecteert. Hij draagt een oogverblindend wit overhemd, jeans en cowboylaarzen.
Er wordt hier heel wat afgefietst. Tenminste, door mannen dan. Het schijnt dat je als vrouw je maagdelijkheid kan verliezen als je fietst – hoe dat precies zit heeft nog niemand me kunnen uitleggen, maar het is een feit dat je maar weinig vrouwen ziet fietsen. De mannen echter, trappen dapper door op hun fietsen zonder versnellingen. Aan hun stuur hangt een hakmes, aan de bagagedrager zes trossen bananen (geen trossen zoals je ze in de supermarkt koopt, maar echte grote trossen, zoals ze aan de boom groeien). Of ze vervoeren een baal stro en twee loodzware jerrycans met water, een mand met kippen, of gewoon met een medereiziger. Speciaal voor het passagiersvervoer is vrijwel elke fiets hier uitgerust met voetsteuntjes en een extra brede bagagedrager, soms met een kussentje erop. 
Irene heeft het gehad met mannen. Ze was zo´n twintig jaar getrouwd met een vent die haar sloeg. Toen had ze het gehad en ging ze bij hem weg. Of hij bij haar – dat is me niet helemaal duidelijk. In ieder geval: ze woont nu alleen met haar kinderen en is gelukkig. Een man komt er niet meer in. Nooit meer.